ALS JE GEÏNFECTEERD BENT MET HIV, VANAF WANNEER KAN JE DAN ANDEREN INFECTEREN?
Je kunt iemand anders infecteren zodra het virus in je lichaam zit en zich in de witte bloedcellen vermenigvuldigt. De besmettingskans is wel het grootst de 1ste maand na de besmetting.
Het virus verspreidt zich na besmetting door het hele lichaam en blijft zich massaal vermenigvuldigen. Je kan op dit moment zeer makkelijk hiv overdragen op anderen.
Ergens tussen de eerste dag en drie maanden na de infectie maakt je lichaam antistoffen aan, maar dit gebeurt niet bij iedereen op hetzelfde moment. Deze antistoffen vallen de virussen aan, maar slagen er niet in ze allemaal uit te schakelen. Hierdoor daalt het aantal virussen wel, maar hiv blijft in je lichaam aanwezig en je kan het dus nog steeds overgeven aan anderen. Dit hangt af van de dosis die je binnenkrijgt bij de besmetting: bij een bloedtransfusie krijg je miljoenen virussen binnen die direct beginnen te vermenigvuldigen, na enkele dagen al is er voldoende virus aanwezig om de besmetting door te geven.
Bij seksueel contact krijg je slechts honderden virussen binnen die moeten vermenigvuldigen tot miljoenen, dat kan enkele weken duren. Hoe meer virussen je binnenkrijgt, hoe sneller antistoffen zullen aangemaakt worden.
De besmettingskans is wel het grootst de 1ste maand na de besmetting. In de asymptomatische fase daalt dit risico wat, om later in het verloop van de infectie terug toe te nemen.
Hoe hoger de viruslading word, hoe besmettelijker men is! Dit maakt dat iemand die in het aidsstadium zit dus ook zeer besmettelijk is.